speltherapie autisme

Spelen als therapie: een praktijkvoorbeeld

De meest natuurlijke manier om iets te leren, is door te spelen. Cognitie, intuïtie en creativiteit werken daarbij samen waardoor gevoelens verwerkt worden en nieuw gedrag kan worden uitgeprobeerd. Eigenlijk is het dus heel hard werken. Vooral voor kinderen, die nog veel van en in de wereld te ontdekken hebben.

Om deze reden is Speltherapie ontstaan; een therapievorm die spelen inzet als middel om destructieve patronen bloot te leggen, emoties en trauma te verwerken, en spelenderwijs nieuw constructief gedrag aan te leren. Niet dat de kinderen dat doorhebben, als je het hen vraagt dan komen ze ‘gewoon’ spelen.

Neem nou Max (6 jaar). Zijn ouders vertellen tijdens het intakegesprek dat hij steeds vaker boos gedrag laat zien en niet doet wat er van hem gevraagd wordt. Op school loopt hij daardoor vast en ook de omgang met andere kinderen verloopt moeizaam. Ouders willen hem enerzijds beter leren begrijpen en anderzijds helpen in het versterken van zijn incasseringsvermogen. Max heeft er al een heel traject opzitten: er is onlangs ASS (autisme) gediagnosticeerd. De psycho-educatie naar aanleiding van deze diagnose gaf ouders al enige houvast, maar ze blijven vastlopen op de emoties van Max en de onmacht die zij daar inmiddels zelf bij ervaren.

Als Max voor het eerst naar de spelkamer komt, ziet hij er keurig uit: brilletje, zijn haren strak in een scheiding, rond koppie, colbertje aan. Een echte heer om te zien. Hij geeft een hand, stelt zichzelf voor, pakt een bak Duplo mee uit de wachtkamer en loopt langs me heen de spelkamer in. Fijn, ouders hebben hem goed uit kunnen leggen wat hier de bedoeling is. Dat hoef ik dus niet zo uitgebreid meer te doen, denk ik nog. Tijdens de intake hadden ouders juist expliciet aan me gevraagd hoe ze aan hem uit konden leggen waarom hij hier naartoe ging en wat hij hier zou gaan doen en dat is blijkbaar gelukt, want hij gaat gelijk spelen.

Max is al snel op de Duplo uitgekeken en vindt een boerderij om mee te spelen. Eerst zet hij alles zorgvuldig neer. Het is belangrijk voor hem dat het allemaal precies klopt. En dan is er ineens een veulentje. Die gaat de zolder op, wat eigenlijk niet mag van de boer. En daarna gaat hij ook nog de wijde wereld in. De boer gaat het veulentje zoeken, vindt ‘m en krijgt vervolgens een schop. Het veulentje gaat alsnog de wijde wereld in. En dan beginnen ineens de varkens. De biggetjes rollen allemaal in de modder. Het moedervarken niet, die staat rechtop en laat zien hoe ze zich horen te gedragen. “De kinderen mogen nog leren hoe het moet.”, zegt Max erbij ter verduidelijking.

Thema’s: vrijheid, behoefte aan exploreren, duidelijke grenzen/voorbeeld nodig om zich veilig te voelen, interne strijd tussen exploratiedrang vs. zich aan regels houden., schrijf ik naar aanleiding van zijn spelen op in mijn aantekeningen.

Ineens kijkt hij op, hij lijkt dwars door me heen te kijken en onderzoekt de rest van de spelkamer. Hij stelt vragen en probeert verschillend spelmateriaal kort uit. Een goed teken: de spelkamer is na het spelen met de boerderij veilig genoeg voor hem geworden om verder te gaan ontdekken.

En dan is het tijd. Max durfde deze eerste keer al veel te spelen en maakte contact tijdens het exploreren in de spelkamer door mij vragen te stellen. Ik heb hem daarmee al een beetje leren kennen, en dat is toch wel waar zo’n eerste sessie om draait. Tevreden loop ik met hem naar de deur.

En dan gebeurt er iets wat ik niet zag aankomen. Een onverwachte wending die al mijn aannames die ik tot dan toe had, ondermijnt. Een krachtige omslag die me met andere ogen laat kijken naar zijn manier van denken en doen. Max staat ineens stil, draait zich om, en vraagt:

“Mevrouw?” Ik vind het hier heel leuk hoor, maar… wat gebeurt hier eigenlijk?”.

Ok. Deze sessie duurt dus een paar minuten langer. Ik heb blijkbaar onvoldoende oog gehad voor zijn behoefte aan duidelijkheid. Ik ga op mijn hurken naast hem zitten en vertel geduldig dat kinderen hier naartoe komen om te spelen, omdat dat kan helpen om moeilijke dingen makkelijker te maken. Bijvoorbeeld als het moeilijk is om met een gevoel of emotie samen te werken. “Oh. Dat heb ik wel. Als ik boos ben.”, zegt hij. En ja, hij wil wel dat dat iets makkelijker wordt. Niet dat hij er zelf zo’n last van heeft, maar de volwassenen om hem heen mopperen steeds vaker op hem en daar is hij eigenlijk wel klaar mee. Doel: minder vaak mopperende mensen om me heen, schrijven we samen op.

In het traject dat volgt wisselen we af tussen het concreet oefenen van gedrag (met regelmatig opdrachten mee voor thuis) en ‘gewoon’ spelen. Dat juist dit laatste cruciaal is om het nieuwe gedrag op zijn eigen manier te oefenen waardoor het beter beklijft, vertel ik hem natuurlijk niet. Hij vindt het gewoon fijn om te komen spelen. En dat dat ook nog helpt om minder vaak gemopper om hem heen te horen, is alleen maar mooi meegenomen.

Echt mensen, werken met kinderen is nóóit saai!

deel: